Geldt er een 'eigenaarsvereiste' voor ontvankelijkheid?
Deze vraag en de vraag of, en zo ja in hoeverre, de Wabo hierin verandering heeft gebracht, speelt met enige regelmaat in de praktijk. Het antwoord erop hangt af van de context waarin de ontvankelijkheidsvraag een rol speelt: ontvankelijkheid van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ontvankelijkheid in een bestuursrechtelijke procedure? In het eerste geval staat het nog niet of niet meer zijn van eigenaar veelal niet aan de ontvankelijkheid in de weg, in het tweede geval meestal wel (zie ABRvS d.d. 13 juni 2000, Gst 2000-7126, 5 en ABRvS d.d. 8 juni 2005, Gst. 2006, 441).
Wanneer een aanvraag om een omgevingsvergunning voldoet aan de inhoudelijke en formele toetsingscriteria zoals die gelden krachtens de Wabo en de Mor – en die overigens inhoudelijk niet gewijzigd zijn ten opzichte van het vorige regime – moet de vergunning worden verleend. Of de aanvrager al dan niet eigenaar is van het te slopen bouwwerk, is geen toetsings- c.q. weigeringsgrond.
Daarnaast moet er sprake zijn van een ontvankelijke aanvraag in de zin van (artikel 1:2 jo 1:3 van) de Algemene wet bestuursrecht. Dat houdt in, dat de aanvraag moet worden gedaan door een belanghebbende. Uitgangspunt voor de vraag of daarvan sprake is, is of de situatie zich voordoet dat de activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, nooit kan worden verwezenlijkt. Is dat het geval, dan is er geen sprake van belanghebbendheid bij de aanvraag (zie ABRvS d.d. 29 juni 2005, AB 2005, 280). Het feit dat een aanvrager geen eigenaar of gebruiker is van de gronden of het bouwwerk waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, is in ieder geval niet een omstandigheid waarvan – tot nu toe – in jurisprudentie wordt aangenomen dat de situatie zoals hiervoor beschreven zich voordoet. Ook een niet-eigenaar kan immers belanghebbende zijn bij de gevraagde vergunning, mits aannemelijk is dat van de vergunning daadwerkelijk gebruik gemaakt zal kunnen worden, zo volgt uit jurisprudentie (zie ABRvS d.d. 28 oktober 2009 (200900139/1/H1) en ABRvS d.d. 22 juni 2011, J 2011/176).
De jurisprudentie ter zake de belanghebbendheid bij aanvragen om omgevingsvergunningen heeft betrekking op de uitleg en reikwijdte van artikel 1:2 jo 1:3 Awb. Er is dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat deze jurisprudentie zal wijzigen ten aanzien van omgevingsvergunningen die worden verleend op grond van de Wabo.
Kortom: een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd voor activiteiten als kappen, slopen of bouwen terwijl de aanvrager geen eigenaar is van respectievelijk de boom, het te slopen bouwwerk of het te bebouwen perceel.
Natuurlijk zijn er omstandigheden denkbaar waarin het gebruik maken van een vergunning terwijl men geen eigenaar is van het object of perceel waarop de vergunning betrekking heeft, zal leiden tot privaatrechtelijke obstakels. Dat is een aspect dat niet aan bod komt bij de bestuursrechtelijke toets van een (reguliere) aanvraag. Mogelijke problemen bij het gebruik maken van de vergunning moeten dan ook via de privaatrechtelijke weg worden opgelost.
Door: mr. M.E.W.M. Pals-Reiniers– december 2011
Contactpersonen: mr. M.E.W.M. Pals-Reiniers en mr. A.J. L. Claassen