Verbouwing is geen nieuwbouw: dus geen BTW verschuldigd!
Het renoveren van een bestaand pand leidt niet tot nieuwbouw, stelt de Hoge Raad in het op 19 november 2010 gewezen arrest. Het Gerechtshof in Den Bosch dacht daar eerder anders over. De uitspraak heeft grote fiscale consequenties.
Begin 2001 heeft de betrokken V.O.F. een woon- winkelpand gekocht en geleverd gekregen. Ten tijde van aankoop en levering, kende dit pand volgens het bestemmingsplan een woonbestemming. Op verzoek van de nieuwe eigenaar is de bestemming gewijzigd tot kinderdagverblijf en een bouwvergunning verleend voor de vereiste verbouwing, waarbij het pand een andere indeling heeft gekregen. Tevens is er een speelterrein aangelegd, is de voorpui op de begane grondvloer vernieuwd en zijn alle deuren het pand beveiligd met kindersloten. Van belang hierbij is dat het uiterlijk van het pand nagenoeg onveranderd is gebleven.
Een jaar nadat de bouwvergunning is verkregen, heeft het kinderdagverblijf het pand in gebruik genomen. In de veronderstelling, dat het kinderdagverblijf bij de ingebruikneming van het verbouwde pand beschikte over een in eigen bedrijf vervaardigd goed als bedoeld in artikel 3, lid 1, letter h van de Wet op de Omzetbelasting 1968 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd.
Het kinderdagverblijf heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar aangetekend bij de inspecteur. Na een afwijzend arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch, waarbij de belastinginspecteur in het gelijk is gesteld, heeft het kinderdagverblijf cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt als volgt: “Blijkens het hiervoor in 3.2.1 vermelde arrest van het Hof van Justitie (14 mei 1985, Van Dijk's Boekhuis, nr. 139/84, BNB 1985/335) is van vervaardiging in de zin van deze bepaling sprake indien een goed wordt voortgebracht dat tevoren niet bestond. Met betrekking tot onroerende zaken betekent dit –uitgaande van het spraakgebruik, zoals het Hof van
Justitie in bedoeld arrest als maatstaf voorhoudt – dat slechts sprake is van vervaardiging van een goed, indien door de werkzaamheden aan de onroerende zaak in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Door voor de beantwoording van de vraag of bij belanghebbende sprake was van vervaardiging in de zin van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet beslissend te achten of het pand al dan niet is te vereenzelvigen met het pand zoals dat bestond voor de verbouwing, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”
Ingeval van renovatie kan blijkens dit arrest er kennelijk geen sprake meer zijn van nieuw vervaardigd onroerend goed. Dit betekent dat de renovatie in voorkomend geval dus niet in de BTW-sfeer valt, met alle fiscale consequenties van dien.
Bron:
Hoge Raad 19 november 2010, LJN BM6681