Minister verlengt toepassing van de Rotterdamwet met vier jaar
Door minister Van Middelkoop van Wonen, Wijken en Integratie is – op verzoek van de gemeente Rotterdam – toestemming gegeven om opnieuw vier jaar door te gaan met toepassing van de ‘Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek’, beter bekend als de ‘Rotterdamwet’. Dit maakte de minister op vrijdag 16 april jl. bekend.
De ‘Rotterdamwet’ maakt het onder andere mogelijk om in een aantal aangewezen wijken en straten, inwoners te selecteren op grond van hun arbeidsrechtelijke status. Deze maatregel is neergelegd in artikel 8 van de ‘Rotterdamwet’:
‘De gemeenteraad kan, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van grootstedelijke problematiek in de gemeente en voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, in de huisvestingsverordening bepalen dat woningzoekenden die minder dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag van een huisvestingsvergunning onafgebroken ingezetene zijn van de regio waarin de gemeente is gelegen, slechts voor een huisvestigingsvergunning voor het in gebruik nemen van in die verordening aangewezen categorieën van woonruimte in aanmerking komen indien zij beschikken over (onder meer, red.):
a. een inkomen op grond van het in dienstbetrekking verrichten van arbeid;
b. een inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf;
Idee achter deze wet is het creëren van de (wettelijke) mogelijkheid voor grootstedelijke gemeenten om maatregelen te treffen tegen problemen waarmee voornoemde gemeenten te maken krijgen; het gaat hier om problemen als de verloedering van en overlast in bepaalde wijken en straten.
Een aantal organisaties – waaronder de politieke partijen Groen Links en SP, alsmede het Landelijk Bureau ter Bestrijding van Rassendiscriminatie (nu: ‘Art. 1’ geheten) – is van mening dat de wet oproept tot discriminatie. Om deze reden is dan ook eerder grote weerstand geboden tegen de invoering en toepassing van de Rotterdamwet.
Op 4 februari 2009 liet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ‘Afdeling’) zich voor het eerst uit over de Rotterdamwet. Een huurder tekende bezwaar aan tegen de weigering van een huisvestingsvergunningaanvraag, wegens het niet- voldoen aan de in de Rotterdamwet gestelde eisen. Huurder stelde dat de weigering op deze grond ondermeer in strijd is met art. 12 lid 1 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten, IVBPR (‘het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er zijn verblijfplaats vrijelijk te kiezen’) en art. 26 IVBPR (‘het discriminatieverbod’). De Afdeling oordeelde echter dat toepassing van de Rotterdamwet niet heeft geleid tot schending van deze verdragsbepalingen. Belangrijke overweging hierbij is de omstandigheid dat de woningzoekende elders in de gemeente of regio wel passende huisvesting kan krijgen.
Met de toestemming om door te gaan met de toepassing van de Rotterdamwet, hoopt de gemeente Rotterdam – middels het weren van kansarmen – de leefbaarheid in de achterstandswijken te vergroten. Daarnaast heeft de gemeente toestemming gekregen om de Rotterdamwet in een groter deel van de stad te gaan toepassen. Naast de stadsdelen Carnisse, Oud- Charlois, Hillesluis en Tarwewijk, geldt de wet nu ook voor Bloemhof. Tot op heden is Rotterdam de enige stad die gebruik maakt van de wet.