Kraak- en leegstandswet aangenomen

Op 1 oktober juni 2010 is de Kraak- en leegstandswet (klik hier voor het wetsvoorstel) in werking getreden.  
 
Tot voor kort was het kraken van een leegstaand pand strafbaar gedurende het eerste jaar van leegstand en was strafrechtelijke ontruiming op grond van artikel 429sexies Sr. mogelijk. Dit is echter drastisch veranderd sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2009 (LJN BJ1254, nummer 09/00079). De Hoge Raad bepaalde daarin dat een kraker met betrekking tot het gekraakte pand beschikt over een huisrecht, waarop door een ontruiming inbreuk kan worden gemaakt. Gevolg van deze uitspraak is dat thans een wettelijke grondslag voor strafrechtelijke ontruiming ontbreekt en dat ontruiming van een gekraakt pand alleen nog mogelijk is op last van de burgemeester wegens verstoring van de openbare orde of door de eigenaar van het gekraakte pand via de civielrechtelijke weg. Met de Kraak- en leegstandswet (Klw) wordt hierin verandering gebracht.

Zo wordt met inwerkingtreding van de wet, artikel 429sexies Sr. vervangen door artikel 138a Sr., waardoor het kraken niet langer een overtreding maar een misdrijf is geworden. De mogelijkheden tot strafrechtelijk optreden zijn hierdoor uitgebreid en een voorafgaande waarschuwing van de eigenaar is niet meer noodzakelijk. De wet voorziet voorts in de toevoeging van artikel 551a aan het Wetboek van Strafvordering, als gevolg waarvan strafrechtelijke ontruiming (opnieuw) mogelijk wordt.

Behalve een algemeen kraakverbod zoals hierboven omschreven, beoogt de Klw tevens gemeenten meer mogelijkheden te bieden om leegstand te voorkomen middels het vaststellen van een leegstandverordening. Een dergelijke verordening kan naast woningen ook gaan gelden voor kantoorpanden, bedrijfsruimten en winkels. Ingevolge een leegstandverordening dient de eigenaar van een leegstaand pand daarvan melding te maken ingeval de leegstand langer duurt dan zes maanden. Wanneer een eigenaar zijn meldingsplicht verzaakt, kan middels een bestuurlijke boete van maximaal €7.500,00 worden ingegrepen.
 
Na de leegstandsmelding, volgt binnen 3 maanden overleg tussen Burgemeester en Wethouders met de eigenaar over het gebruik van het pand, hetgeen resulteert in een leegstandbeschikking, die de gemeente overigens ook zonder medewerking van de eigenaar kan vaststellen. Tegen een dergelijke beschikking staat voor de eigenaar van het betreffende pand bezwaar en beroep open.
In geval van een niet-meewerkende eigenaar kan de gemeente bestuursdwang toepassen of een last onder dwangsom opleggen. De bestrijding van leegstand door middel van het aangaan van gebruiksovereenkomsten of andere overeenkomsten tot bewaarneming (afdeling 7.1.9 BW) blijft ook onder de nieuwe wetgeving mogelijk.
 
De Kraak- en leegstandswet creëert kortom enerzijds opnieuw de mogelijkheid tot het strafrechtelijk optreden c.q. ontruimen en anderzijds worden de mogelijkheden van de gemeente om leegstand te voorkomen verruimd. De mogelijkheden die huiseigenaren zelf hadden om leegstand te voorkomen via het civielrechtelijke pad blijven gelijk.
 
De Klw kent zowel voor- als tegenstanders. Voorstanders geven aan dat de kraakbeweging verhardt en bovendien sterk veranderlijk is qua samenstelling, waarbij gedoeld wordt op buitenlandse krakers. Verschillende geweldsdelicten bij o.a. ontruimingen in Amsterdam en de wens om daadkrachtig op te kunnen treden vormen dan ook de directe aanleiding voor het wetsvoorstel. De Klw is echter ook onderhevig aan kritiek, van onder andere de Raad van State, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de vier grote Nederlandse steden. Zij vrezen dat een algemeen kraakverbod juist zal leiden tot meer leegstand en dat door de Klw de verantwoordelijkheid om leegstand te voorkomen meer bij de gemeente komt te liggen dan bij de huiseigenaar. De praktijk zal moeten uitwijzen of deze vrees gegrond is.

Vooraleerst lijkt het nog de vraag of de wet verenigbaar is met het huisrecht als bedoeld in artikel 8 EVRM, mede gezien het feit dat de enige voorafgaande rechterlijke toets wordt gevormd door de mogelijkheid van een civielrechtelijk kort geding, zie het arrest van het gerechtshof te Den Haag d.d. 8 november 2010 (nr. 200.076.494/01).