Sloopaannemer aansprakelijk voor fouten tijdens de sloop, ook bij niet-optreden van de directie-voerder

Feiten

Tussen partijen is een overeenkomst gesloten met betrekking tot het gefaseerd slopen van twee panden die in eigendom waren van de opdrachtgever. Het was nadrukkelijk de bedoeling dat de aannemer de bestaande parkeerkelder van een van de twee panden en de begane grondvloeren zou behouden. Tijdens de uitvoering van de sloop ging het echter mis, omdat twee vloerdelen van de vierde verdieping van de hoogbouw instortten. Dit gebeurde kort nadat de aannemer de stalen draagbalken onder een gedeelte van de vierde en vijfde verdiepingsvloer had verwijderd. Deze sloopmethode was anders dan de aannemer daarvoor bij de laagbouw van het pand had gehanteerd. Daarbij hadden zich geen instortingen voorgedaan. Ondanks deze ‘waarschuwing’ heeft de aannemer  besloten om in een groot gedeelte van de hoogbouw over meerdere verdiepingen alle stalen balken te verwijderen. Als gevolg hiervan vonden er nog drie instortingen plaats, waarbij ook de begane grondvloeren en de onderliggende parkeerkelder ernstig beschadigd zijn geraakt. Partijen hebben daarna over en weer betaling van de schade en kosten gevorderd die verband houden met de instortingen.

Uitspraak in eerste aanleg bij de RvA

Arbiters hebben in eerste aanleg geoordeeld dat beide partijen in beginsel aansprakelijk zijn voor de schade. Reden hiervan was dat het pand waar de instortingen zich hebben voorgedaan een ongebruikelijke, complexe constructie betrof, waarvoor de opdrachtgever een constructeur had moeten inschakelen. Bovendien rustte volgens arbiters een informatieplicht op de opdrachtgever, waarin zij jegens de aannemer tekort is geschoten. De aannemer werd aangerekend dat er was afgeweken van de sloopmethode die bij de laagbouw probleemloos was gehanteerd en dat deze gewijzigde uitvoeringsmethode mede ten grondslag heeft gelegen aan de instortingen. Echter, arbiters hebben het de opdrachtgever zwaar toegerekend, dat de directievoerder niet actief heeft ingegrepen direct na de eerste instorting en hebben daarom geoordeeld dat opdrachtgever 70% van de schade dient te dragen en de aannemer 30%.

Hoger beroep

In hoger beroep stond naar het oordeel van appelarbiters vast, dat door de aannemer een uitvoeringsfout is gemaakt, omdat zij bij de sloop van de hoogbouw over meerdere verdiepingen tegelijkertijd is gaan slopen, terwijl daarvoor  de laagbouw probleemloos was gesloopt. Anders dan arbiters in eerste aanleg, hielden appelarbiters aannemer 100% aansprakelijk voor de schade als gevolg van de instortingen. Appelarbiters waren namelijk van oordeel, dat de informatie die de opdrachtgever had verstrekt, voldoende was om tot een veilige sloop te kunnen komen. Dat bleek ook uit het feit, dat de laagbouw probleemloos was gesloopt.
Appelarbiters overwogen dat de directievoerder na de eerste instorting daadkrachtiger had kunnen optreden aangezien deze de toelichting van de aannemer omtrent de toedracht van de eerste instorting zonder nader onderzoek had geaccepteerd. Dit laat volgens appelarbiters onverlet dat in beginsel de sloopwijze des aannemers is en dat het niet geven van aanwijzingen niet voor risico van de opdrachtgever kan worden gebracht. Daarbij overwogen appelarbiters dat de directie werkt ten behoeve van de opdrachtgever en het al dan niet disfunctioneren van de directie in beginsel de aanneemster niet regardeert.

Ook een beroep op het ontbreken van nauwlettend toezicht door de directievoerder, op grond waarvan volgens jurisprudentie van de RvA de aansprakelijkheid voor gebreken door de schuld van aanneemster kan verminderen, faalde. De betreffende jurisprudentie heeft namelijk betrekking op de vraag in hoeverre een aannemer aansprakelijk is voor verborgen gebreken na oplevering. In het onderhavige geval was nog geen sprake van een oplevering waardoor de aannemer in beginsel volledig aansprakelijk was voor de bouw/sloop en het bouwterrein.

Belang van de uitspraak in hoger beroep

Deze uitspraak is van belang voor sloopovereenkomsten, waarbij partijen zijn overeengekomen dat de Uniforme Administratieve Voorwaarden 1989 (‘UAV 1989’) van toepassing zijn op het werk. In paragraaf 5 lid 2 UAV 1989 ligt namelijk de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever voor door hem voorgeschreven constructies en werkwijze besloten.

In het onderhavige geval heeft de opdrachtgever de aannemer op basis van de door de opdrachtgever verstrekte informatie, de vrije hand heeft gegeven in de wijze waarop het pand diende te worden gesloopt. Uit de uitspraak in hoger beroep valt af te leiden, dat de aannemer een onderzoeksplicht heeft of op basis van de door opdrachtgever verstrekte informatie tot een veilige sloopmethode kan worden gekomen. Op zichzelf is dat geen vreemd oordeel. Ook uit de certificeringsrichtlijnen voor sloopaannemers, zoals deze zijn vastgesteld door de Stichting Veilig en Milieukundig Slopen, volgt dat een sloopaannemer een onderzoeksplicht heeft.

Interessant is het oordeel over toerekening van de handelswijze van de directievoerder aan de opdrachtgever. In bouwgeschillen wordt vaak door de aannemer het verweer opgeworpen, dat een fout of een gebrek niet aan hem is toe te rekenen, omdat de directievoerder steken heeft laten vallen. Dit verweer wordt regelmatig ook gehonoreerd. Appelarbiters maken echter duidelijk dat de directievoerder werkt ten behoeve van de opdrachtgever en het al dan niet disfunctioneren van de directie in beginsel de aannemer niet regardeert. De RvA heeft weleens een andere lijn voorgestaan. Het is dus interessant om te zien of dit oordeel in nieuwe jurisprudentie van de RvA vervolg gaat krijgen.

juli 2014

Door: mr. M. Cune 

Opdrachtgever is in eerste aanleg en in hoger beroep bijgestaan door mrs. A.J.L. Claassen en M. Cune