Grens aan sluitingsbevoegdheid burgemeesters ingevolge 13b Opiumwet

Burgemeesters hebben een vergaande bevoegdheid om – nadat een hennepkwekerij in een woning is geconstateerd – een woning voor een bepaalde duur te sluiten. Deze bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet maakt het mogelijk dat burgemeesters op effectieve en daadkrachtige wijze de (illegale) situatie herstellen en hersteld houden. In de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 29 juni jl. (kenmerken SHE 16/2775; SHE 16/2838; SHE 16/2908 en SHE 16/2774) is echter duidelijk gemaakt dat deze bevoegdheid niet onbegrensd is.

Een tweetal woningcorporaties die woningen hebben in onder andere de gemeente Geldrop-Mierlo, werd ook geconfronteerd met sluitingen van hun woningen. Aangezien deze corporaties een zero tolerance beleid voeren en zelf onmiddellijk maatregelen nemen jegens huurders die een hennepkwekerij hebben in de woning, werd de vraag of sluiting van een lege woning nog wel een herstelfunctie heeft en is toegestaan, inzet van een juridische procedure bij de rechtbank Oost-Brabant. Op 29 juni 2017 heeft de rechtbank uitspraak gedaan en daarbij de corporaties in het gelijk gesteld: de sluitingsbevoegdheid van burgemeesters is niet onbegrensd want moet daadwerkelijk toegevoegde waarde hebben. De uitspraak heeft gevolgen voor de praktijk, zowel voor corporaties als voor burgemeesters.

Aanleiding en achtergrond discussie sluiten corporatiewoningen bij hennepteelt

Woningcorporaties hanteren al vele jaren een zero tolerance beleid tegen hennepkwekerijen. In huurcontracten wordt dit als uitdrukkelijk verbod opgenomen, huurders worden hierop expliciet gewezen evenals op de gevaren van een hennepkwekerij en vanzelfsprekend schakelen zij onmiddellijk de politie in, zodra zij kennis of vermoedens krijgen van een hennepkwekerij.

Wordt de aanwezigheid van een hennepkwekerij in een woning geconstateerd, dan betekent het zero tolerance beleid veelal dat de huurovereenkomst zo snel mogelijk wordt beëindigd door vrijwillige opzegging door de huurder danwel door middel van een gerechtelijke procedure leidend tot een ontruimingsvonnis. Veelal wordt beleid toegepast om de huurders in kwestie voor een bepaalde periode (in de regio Eindhoven gaat het om 5 jaar) niet in aanmerking te laten komen voor een nieuwe huurovereenkomst voor een woning van een woningcorporatie. De woning wordt na herstel van de ontstane schade (die indien mogelijk wordt verhaald op de overtredende huurder) vanwege de (ontmanteling van de) hennepkwekerij zo snel mogelijk weer verhuurd aan een nieuwe reguliere of urgente huurder.

In de zaken die ten grondslag liggen aan de uitspraak van 29 juni jl. zou er volgens de Burgemeester in kwestie ook nadat de corporaties de maatregelen van hun zero tolerance beleid hebben toegepast, nog reden zijn voor sluiting. Het zou een feit van algemene bekendheid zijn dat na ontmanteling van een hennepkwekerij nog risico’s zouden bestaan voor de openbare orde en voor de nieuwe bewoners. Bovendien zou van sluiting een preventieve werking uit gaan. De woningcorporaties in kwestie hadden zelf (jarenlange) andere ervaringen en entameerden een beroepsprocedure om de sluitingsbesluiten in rechte te laten toetsen.

De uitspraak van 29 juni 2017

De rechtbank stelde op 29 juni 2017 in de vier beroepszaken de corporaties in het gelijk. De kern van de beslissing is dat de corporaties gelet op de getroffen maatregelen en de verklaringen ter zitting van de door de rechtbank op verzoek van de corporaties opgeroepen wijkagenten uit Eindhoven en de regio gemeenten, voor die gevallen voldoende hebben betwist dat sluiting van de lege woningen nog een toegevoegde waarde zou hebben. Het is in dat geval aan de burgemeester om aan te tonen dat in een concreet geval nog wel wat valt te herstellen. Omdat de burgemeester dit niet had gedaan, was het sluitingsbesluit onzorgvuldig gemotiveerd.

De rechtbank heeft hier nog expliciet aan toegevoegd dat voor zover het handhavingsbeleid mede tot doel heeft om burgers kenbaar te maken welke reactie hij van de overheid kan verwachten bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet, dit doel dan niet ziet op herstel in een concrete situatie maar op generale preventie van overtredingen. De sluiting krijg dan een punitief karakter, hetgeen – zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 september 2010 – niet is toegestaan volgens de rechtbank.

Conclusie

Deze uitspraak kan tot gevolg hebben dat burgemeesters in Nederland de wijze waarop zij hun Damocles beleid toepassen tegen het licht moeten houden. Toegevoegde waarde van een sluiting na een strikte toepassing van het zero tolerance beleid dat corporaties in heel Nederland doorgaans hanteren, moet door de burgemeester (indien betwist door de corporatie) worden gemotiveerd. Aan de hand van concrete omstandigheden zou moeten blijken dat er nog wel iets valt te ‘herstellen’. Daar zal – gezien ook de praktijk – in de meeste gevallen geen sprake van zijn. Op deze wijze wordt recht gedaan aan hetgeen is overwogen in de parlementaire geschiedenis bij de wetswijziging die deze ruime handhavingsbevoegdheid ten aanzien van woningen heeft mogelijk gemaakt, namelijk dat de sluitingsbevoegdheid altijd zorgvuldig en met in achtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moet worden toegepast.

Juli 2017, mr. Miranda Pals-Reiniers

Contactpersonen: