Artikelen Overheid

Bijna evenredige besluitvorming in Zuid Holland: de provinciale brancheringsregeling nog niet in overeenstemming met de Dienstenrichtlijn

Sinds de tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ‘Afdeling’) in de inmiddels alom bekend ‘Appingedam-uitspraak’ is er in ruimtelijke ordeningsland veel te doen omtrent brancheringseisen in bestemmingsplannen. Kort en goed volgt uit de Appingedam jurisprudentie dat een brancheringsregeling non discriminatoir, noodzakelijk en evenredig moet zijn, wil deze regeling niet in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn. Na haar uitspraken in Amsterdam en Maastricht van 19 december 2018, heeft de Afdeling zich in haar uitspraak van 27 maart 2019 nu ook gebogen over de brancheringsregeling uit de provinciale Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland, waarover eerder al deze blog verscheen van mijn kantoorgenote.

Ter discussie staat of het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) terecht heeft mogen weigeren om ontheffing te verlenen voor de nieuwvestiging van twee Decathlonfilialen buiten de stadscentra op een bedrijventerrein in Schiedam en in Den Haag. GS beroept zich hierbij op de brancheringsregeling in de provinciale verordening en heeft aan haar weigering ten grondslag gelegd dat de beoogde grootschalige sportdetailhandel niet voldoet aan de criteria voor detailhandel in de Verordening Ruimte 2014-I, die erop zijn gericht om detailhandel zoveel mogelijk te concentreren in te versterken centra, in te optimaliseren centra en overige aankoopplaatsen. Volgens GS zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan voor deze sportdetailhandel een uitzondering op deze criteria zou moeten worden gemaakt. De vraag die in deze procedure aan de orde is, is of de brancheringsregeling in overeenstemming kan worden geacht met de Dienstenrichtlijn, waarbij de discussie zich thans toespitst op de vraag of er sprake is van een evenredige regeling.

De Afdeling komt tot het oordeel dat hiervan sprake is. De provincie heeft (met onderzoeken) voldoende gemotiveerd dat er sprake is van een geschikte, effectieve en coherente en systematische regeling. Er bestaat dus geen strijd met de Dienstenrichtlijn. Hierbij merkt de Afdeling (nogmaals, zie ook Appingedam) op dat uit vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie een maatregel al voor de evenredigheidstoets slaagt, indien hij kan bijdragen aan de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling en dat deze niet noodzakelijkerwijs zelfstandig deze doelstelling hoeft te kunnen verwezenlijken. Een mooie handreiking voor de praktijk deze uitspraak!

Met het oordeel dat er sprake is van een evenredige brancheringsregeling is er evenwel nog geen eindoordeel over de rechtmatigheid van de weigering van GS om ontheffing te verlenen voor vestiging van de Decathlon in Schiedam en Den Haag. De Afdeling laat zich namelijk ook uit over de algemene ontheffingsbevoegdheid van de Verordening Ruimte en geeft in dit kader (voor het eerst) een richtlijnconforme interpretatie van deze bevoegdheid. De Afdeling overweegt dat als een provincie besluit om in te grijpen in de gemeentelijke planvorming (reactieve aanwijzing), zij hierbij alle belangen die een rol spelen zorgvuldig dient af te wegen. Daarbij moet de provincie meenemen dat de ontheffingsmogelijkheid op de regels vanwege de Dienstenrichtlijn ruimer moet worden opgevat dan zij tot nu toe heeft gedaan. In onderhavige casus heeft de provincie zo’n afweging niet gemaakt. De Afdeling draagt haar op om in haar nieuwe / gewijzigde besluitvorming nu met zo’n afweging te beoordelen of ze ontheffingen van de provinciale regels kan verlenen voor de betreffende Decathlonvestigingen. Tot die tijd mogen de gemeenten Schiedam en Den Haag voor de nieuwe winkels geen gebruik maken van de bestemmingsplannen, aldus de Afdeling.

Weer een erg interessante uitspraak voor de praktijk. Enerzijds vanwege de mooie handreiking in het kader van brancheringsregelingen en de Dienstenrichtlijn en (in samenhang met het vervolg) ook relevant voor de algemene ontheffingsbevoegdheid die de provincie heeft om af te wijken van het bepaalde in de provinciale verordening.

Maart 2019 – mr. Leonie Muetstege

Contactpersonen: